Wonen op vakantie

Het begint met een vluchtige blik in de etalage van een Franse makelaar tijdens een heerlijke vakantie. En als je dan weer thuis bent wil dat beeld van dat prachtige middeleeuwse huis aan dat idyllische riviertje maar niet van je netvlies verdwijnen. Je betrapt jezelf erop dat je in je hoofd rekensommen zit te maken en probeert te bedenken hoe het zou zijn om daar te wonen…
Maar hoe vergaat het mensen die hun dromen in daden weten om te zetten? Esther Verhoef schrijft in Wonen op vakantie op een vermakelijke manier over het leven van haar gezin in Frankrijk.
Fragment
De grote stap In juli 2004 verhuisde ons gezin naar Frankrijk. Dat ging zo. Al voor de geboorte van onze eerste nazaat terroriseerde manlief me met bladen en magazines met klinkende Franse namen.Mbr> Terwijl ik zat te typen of lezen hoorde ik hem dingen roepen als: 'Es, kijk hier, tien hectare grond met een bouwvergunning, voor vijftigduizend gulden!' (we spreken hier nog over de guldenperiode). 'Es, een kasteel, voor drie ton! Met een slotgracht, kicken!' (dit was al in het eurotijdperk). Es luisterde met een half oor, want Es was gewend geraakt aan zulke kreten. Manliefs leven staat in het teken van het toonbaar en bewoonbaar maken van huizen die op instorten staan - of die in elk geval sterk die indruk wekken. En dan zit je in Frankrijk op rozen.
In Nederland verhuisden we van bouwput naar bouwput, voornamelijk in het Brabantse en Gelderse, en hoewel ik nergens zo'n hekel aan heb als in raamloze schuren of caravans te moeten bivakkeren, ben ik van mening dat een mens een hobby mag hebben. Een passie zelfs. In een relatie moet je elkaar daar de ruimte voor geven. Ik ben zelf ook niet de meest inschikkelijke als ik schrijf. En dat hele Frankrijk-gebeuren nam ik, als ik eerlijk ben, niet serieus. Spielerei. We zijn geen francofielen - het klinkt me als een scheldwoord in de oren - en we spraken amper Frans. Ja, ik heb ooit in een ver en grijs verleden een Frans vriendje gehad, maar dat heeft niet bijgedragen aan een breder vocabulaire; het was niet het type relatie waarin verbale communicatie topprioriteit had. Buiten dat: alles ging toch prima, het sociale leven was op orde, de kinderen hadden het naar hun zin op school. Ik had niet zo'n haast. Manlief wel.
Een paar jaar geleden, de kinderen waren respectievelijk zeven, vijf en drie jaar, zei hij: 'Als we nog een keer de stap willen wagen, moeten we het nu doen, nu de kinderen nog jong zijn.' Daar zag ik de logica van in. 'Het is niet voor altijd, dus wat maakt het uit? Als we het er niet leuk vinden kunnen we altijd nog terug. Dan hebben we het in elk geval geprobeerd.' Ook al zo'n goed argument. 'De kinderen kunnen spelenderwijs Frans leren, die groeien tweetalig op, da's toch geweldig?' Allemaal waar.
Ik liet me meesjouwen naar Franse dorpjes en gehuchten, keek net als hij vol enthousiasme naar die práchtige dakloze boerderijen en vervallen landhuizen op heuvelruggen. Ik begon me voor te stellen hoe het zou zijn om er te wonen, alle dagen zon, de ruimte, reeën in je tuin. en voor ik het wist was het net gesloten. Had ik goede tegenargumenten? Nee, niet meer. Mijn eerste levensbehoeften beperken zich tot mijn gezin en schrijven, en dat schrijven kon in Frankrijk natuurlijk ook.
Manlief rook zijn kans en sloeg meteen spijkers met koppen, voor ik me alsnog kon bedenken. In juli 2004 trokken we met zijn vijven in een krappe caravan naast een authentieke Franse bouwval. Onder de Franse zon, met uitzicht over de heuvels. Ons 'nieuwe' huis had nog geen ramen en deuren en kamers en elektriciteit. Ook geen trap, of tussenvloer, of keuken en badkamer. Het had eigenlijk helemaal niets, behalve heel veel onkruid, zwaluwnesten, slangen en hagedissen. En charme. Potentie om op te bloeien. Rust en ruimte eromheen. Gemoedelijke, tot in hun diepste wezen onthaaste omwonenden.
De kinderen ervoeren het avontuur in het begin als vakantie. Dat de Franse school in september begon, en ze dan dus echt aan het werk moesten, was iets abstracts, daar hadden ze geen notie van. We aten alle dagen (noodgedwongen) buiten, dat was al een feest op zich. We zetten een joekel van een opblaasbaar zwembad tussen het onkruid en terwijl manlief zijn hobby bedreef en ons huis langzaam maar zeker vorm kreeg, probeerde ik hun de basisbeginselen van de Franse taal te leren.
'Wanneer gaan we weer naar huis?' vroeg de middelste me op een dag. Ik keek gealarmeerd op. 'Dit ís thuis, schat.' Ze keek me vol verwondering aan. 'Wonen we nu op vakantie?' Ik blies opgelucht mijn adem uit. 'Ja, lieverd, we wonen voortaan op vakantie.'